rooskooskoos

kunsthistorische kinderverhalen

  1. Vogelperspectief
  2. Kikkerperspectief


1.

Vogelperspectief

´Ah, daar zijn jullie!,´ met een hartelijk gebaar verwelkomt professor Smant Bodil en haar neefje Wil. ´Kom, ik wil jullie iets laten zien.´ Roos en Koos zijn er ook, zij drinken limonade in de tuin. Zodra iedereen van drinken is voorzien, wijst de professor naar een potloodtekening, die op de terrastafel ligt en vraagt verwachtingsvol: ´Voor jullie kwamen heb ik dit even geschetst. Ik zeg verder niks, maar wát zien jullie?

´Ik zie een zonnetje,´ reageert Koos. ´Ik zie, ik zie. . ,´ zegt Bodil, ´ik zie een kastanje met satéprikkers. . .´ ´Nee, joh, het is toch gewoon een wiel. . , niets bijzonders,´ vindt Roos en neemt nog een slokje. Smant glimlacht, maar zwijgt.

´Ook niet? Wat dan? Een meloen. . , van boven, nee, een madeliefje, of toch een zon. .?´ roepen de kinderen door elkaar. ´Maar. . , dan zijn de stralen niet even lang. . ,´ mompelt Wil aarzelend.

´Net wat ik dacht. Logisch, dat kinderen net als televisies ook beelddragers worden genoemd. Jullie hebben echt veel meer plaatjes dan grote mensen,´ constateert de professor tevreden.

´En jij hebt gelijk, hoor, Wil. De lijnen op de tekening zijn niet even lang. Als die wel even lang waren, had dit inderdaad de tekening van iets ronds, van een wiel of de zon kunnen zijn. Nu lijkt het meer een vierkant. Het is dan ook het speelveld van rooskooskoos.´

´O ja,´ roept Roos, ´nou herken ik het, dat hebben Koos en ik al eens gespeeld!´

´Ja, klopt,´ vervolgt de professor, ´de lijnen op dit bordspel zijn dus niet even lang en daardoor zijn de vakken ervan niet even groot. Zo kun je de speelvakken gemakkelijker tellen en dat maakt het spel extra snel!´ Jullie zullen dat zelf nog wel ontdekken, maar niet nu.´ Professor Smant kijkt omhoog, maakt een buiging naar de kinderen en vraagt: ´Mag ik jullie voorgaan. .?!´

De kinderen volgen de professor door het poortje, dat zijn tuin scheidt van een immense weide. Er hangt een grote toverbal boven de klaprozen en korenbloemen, maar als ze dichterbij komen, zien ze de mand eronder. Het is een luchtballon. Smant groet de man in de mand met een joviaal ´Ahoi kapitein, varen maar. . .'

Voor de kinderen van hun verbazing zijn bekomen, zweven ze al hoog in de lucht. Na een tijdje komen ze boven een strand, waarop Koos het speelveld van rooskooskoos herkent.

´Hellup. . ,´ roept hij daarom verschrikt, ´onze tekening is naar beneden gewaaid. . .´

´Welnee, die heb ik hier,´ stelt Roos haar vriendje gerust.

Professor Smant gebaart naar de kapitein: ´Joe, we zijn er blijkbaar. Afdalen maar.´

Langzaam zien de kinderen de grond dichterbij komen, terwijl de kiezels en schelpjes waarmee een speelveld is gemaakt steeds groter worden.

´Hé, het is helemaal geen bordspel. . ,´ ontdekt Bodil.

´Het is niet alléén een bordspel. . ,´ corrigeert professor Smant haar geheimzinnig.

Na de landing rennen Roos en Bodil naar het speelveld, maar eenmaal aangekomen herkennen ze het niet meer. Hè. . , hoe kan dat?

De professor lacht. ´Ha, ha, het speelveld is niet veranderd. Jullie kijken anders! Toen jullie op de tekening en uit de luchtballon naar beneden keken was het speelveld recht voor jullie ogen. Nu staan jullie zelf in het speelveld en kijken jullie schuin naar de lijnen.´

´Hé, ja, ‘t vierkant is weg. . ,´ ziet Wil.

´Maar het rondje in het midden, het zonnetje ook. . ,´ gilt Roos ineens van verbazing.

´Ja, het rondje lijkt meer op een ei. . , ha, het lijkt wel een ei-lánd. . ,´ triomfeert Bodil.

´Yes! Zwemwedstrijdje. . !, Wie doet er mee. . ,´ juichen Roos en Koos in koor.



2.

Kikkerperspectief

´Há, daar ben je. Was het leuk bij Smant?,´ vraagt moeder.

´Leuk? ‘t Was fantastisch,´ doet Wil al op de drempel verslag.

´Bodil was er, natuurlijk. . . Roos en Koos. . . en we speelden rooskooskoos, eerst een zwemwedstrijdje enne. . . van Koos moesten wij toen. . . kikkers zijn en wij hopten, hopten. . .´

´Rustig, rustig. . , straks. . , eerst eten. Hòpten? Zul jij honger hebben. . .´

´Als een paard,´ beaamt Wil ademloos.

´Als een paard, ok. . , eet jij toch lekker in de stal. Roep je meteen Lisa even. . , die zit op de schommel, zet ik jouw bord weer in de kast,´ monkelt vader, die net de tafel dekt.

´Grappig. . ! Ik ken lekker toch ‘t coolste spel ever. . .´ Wil stuift weer naar buiten en roept zijn zusje. Vrolijk gaan ze aan tafel en genieten van hun maaltijd.

´Zó. . , wat had Smant nu weer bedacht. . , een koelspel?,´ vraagt moeder, terwijl ze voldaan achterover leunt. ´Slim van die man, met dit warme weer.´

´Mámá. . .eerst gingen we op het grote. . . iedereen op een eigen vak. . . tussen stralen. Je mag maar zes naar links of rechts. . . lopen, hinkelen of springen. . .´

´Ah, dat bedoel je zeker met hoppen. . . Waarom dat nou moeilijk is, je kunt toch wel op één been staan.´

´Nee, tuurlijk. . . maar übermoeilijk. . , want er staat helemaal niets op het veld! Je weet niet wat je moet doen. . . Je ziet een groot kapot, vierkant wiel, met een ei in het midden en zonnestralen. Je kunt niet eens zien hoe groot het is. . . Pas toen Bodil en Roos er op gingen, zag ik ’t beter. Leken de vakken niet meer zo op elkaar.´ Dat zei professor Smant ook.

´Kijk naar elkaar, niet alleen naar ’t veld . . , dat helpt. . .´

´Nou en als je tikt, scoor je punten. . . Maar als je óók doortikt of nog meer, dan snapte ik ’t echt niet. . . Gelukkig had Koos ‘t gespeeld. . . En ’t is übertof als ze allemaal meedoen, want allenig kijken is saai. . ! ´

´Ik stond recht tegenover Bodil. . . aan de overkant van het rondje. . . daar mag je niet overheen. . . Je moet róndlopen, de stralen oversteken en dat is meer dan zes stappen.´

´Hé,´ onderbreekt vader belangstellend, ´dat doet me aan wielerwedstrijden denken. . . Gister was er nog eentje op tv. De achtervolgers hadden, terwijl ze de berg afroetsjten, de koploper ineens onder zich. Hebbes, dachten ze waarschijnlijk, maar tussen de koploper en zijzelf lagen nog wel wat bochtjes. . .Tjonge. . , ja, waren er bij jullie ook heuveltjes?’

‘Nee. . , wij zaten op een plát veld, gemaakt met schelpen en steentjes. . .´

´Later speelden we ook op tafel. . .’

´Zat je op de táfel? Ik kan je niet helemaal meer volgen,´ doet moeder geschokt.

´Nou ja, met pionnen. . , niet met onze voeten, verklaarde Wil geduldig. ´Raar eigenlijk, alle regels hetzelfde. . , toch alles anders. . . ’k Weet niet. . , alsof het bord op de grond lag. . , zo klein . . . Jezelf zit stil, alleen je pion stapt. . . Ik leek wel ‘n reus, die met punaises speelde! ´

´Ah. . , dát herken ik. . , als wij een potje pesten of zo. . ,´ reageert moeder ineens zelfverzekerd. ´Ik kijk nooit om me heen. Ik kijk gewoon van boven achter de kaarten. Groot zijn is handig. . ! ´, plagerig kust moeder Wil op zijn kruin.

´Oh, mama, jij speelt toch niet vals. .? ´

´Vals spelen? Ik? Natúúrlijk niet, wat denk je wel. Ik speel ook altijd echt, hoor. Ik kijk alleen maar in jullie kaarten om te winnen. . ! ´