rooskooskoos

spelregels van verschillende spelvormen

  1. Op grote schaal zonder dobbelsteen
  2. Tel, tel en ver-tel...
  3. ...stap in je eigen spel
  4. Speciale spelvorm op kleine schaal met dobbelsteen


1.

Op grote schaal zonder dobbelsteen

rooskooskoos begint zodra minimaal vier spelers afspraken maken. Zij* kiezen een spelvorm, TIKKEN, PIKKEN, STRIKKEN of MIKKEN en bepalen hoeveel een speler moet scoren om te winnen. Ze* hebben een persoonlijk telteken (bv. een fietssleutel of steentje) voor de puntentelling bij de hand. Tenslotte gaan alle spelers op een vak staan en bepalen wie er mag beginnen. Soms spreken ze af, dat ze niet gewoon gaan lopen, maar hinkelen of springen.

De eerste speler, de hoofdrolspeler, zegt hardop hoeveel vakken hij naar links of naar rechts zal gaan: minimaal 1, maximaal 6, maar nooit hetzelfde aantal vakken als zijn directe voorganger. Komt hij daardoor op het vak van een medespeler terecht dan krijgt hij 1 punt voor TIKKEN. De getikte speler (bijrolspeler) beweegt evenveel vakken in dezelfde richting als de hoofdrolspeler. Komt ook de bijrolspeler op het vak van een medespeler, dan krijgt hij 1 punt voor doorTIKKEN. Speler drie heeft nu een bijrol en ook hij gaat evenveel vakken verder als de hoofdrolspeler. Spelers die in deze beurt niet bij het TIKKEN of doorTIKKEN worden betrokken zijn figuranten, die de rol van publiek mogen vervullen: toekijken en aanmoedigen.

De scores kunnen worden bijgehouden met behulp van de teltekens en cijfers op het veld. Het spel van TIKKEN en doorTIKKEN gaat door tot een speler voldoende punten heeft gehaald.

* Professor A.J. Smant, officieel official van Haasspellen, vindt het wel zo eerlijk om het enkelvoud van jongens of meisjes in de derde persoon (hij of zij) te schrijven als hij. Het meervoud van meisjes en jongens in de derde persoon is immers zij. De derde persoon ontstaat als wij samen spelen en het publiek niet tegen ons, maar over ons praat: ”Zij spelen samen.”

** Meisjes hebben zowel zij als ze, jongens alleen hij.



2.

Tel, tel en ver-tel. . .

In de spelvorm TIKKEN winnen spelers punten. Wanneer spelers afspreken, dat punten verliezen of afpakken ook moet kunnen, bedoelen ze PIKKEN. Dat betekent, dat een speler 1 punt verliest als er een hoofdrolspeler of een doorgetikte bijrolspeler op zijn vak komt. Natuurlijk spreekt zo nodig elke hoofdrolspeler voor hij in beweging komt hardop uit of hij gaat TIKKEN of PIKKEN.

STRIKKEN is niet alleen een andere manier van scoren. Enkele of alle spelers spreken voor het spel begint, openlijk af, dat ze gaan samenwerken. Per tweetal leggen ze een herkenningsteken (kastanjes, muntjes, noem maar op) in de cirkel. Zo kan iedereen zien, dat zij bij elkaar horen. Wanneer een hoofdrolspeler op het vak komt van zijn partner, krijgen ze allebei 1 punt en blijven bij elkaar tot de partner weer aan de beurt is. De andere spelers kunnen hen niet TIKKEN, doorTIKKEN of van hen PIKKEN zolang ze samen zijn. Verder speelt en scoort iedereen als altijd. De spelers, die de uitdaging van STRIKKEN zijn aangegaan, kunnen alleen als duo winnen en moeten daarvoor allebei voldoende punten scoren. Een goede reden om hen “uit elkaar te spelen”.

Tenslotte is er de competitieve spelvorm MIKKEN. MIKKEN is vooral geschikt voor een groep van vijf of meer spelers: Speler 1 zoekt speler 2, maar speler 2 probeert speler 3 te pakken te krijgen enzovoort. Spelers zoeken dus niet elkaar, dit heeft unieke strategische en hilarische gevolgen.

pS Wanneer kinderen rooskooskoos spelen zonder dobbelsteen te moeilijk vinden, mag dat geen reden zijn om niet te leren TIKKEN, PIKKEN of MIKKEN. In dat geval kan er een grote dobbelsteen van schuimrubber worden gebruikt of kan er iemand met de rug naar ons speelveld gaan staan en willekeurig getallen tussen 1 en 6 opnoemen. Aldus professor Smant.



3.

... stap in je eigen spel

Kinderen hebben niet genoeg aan spel, sport en competitie, ze moeten ook hun fantasie uitleven. Je zou ze beelddragers noemen als die term niet was bedoeld voor dingen. Zoals caleidoscopen. Kinderen weten hoe ze prinsessen in haaien of kinderen van kabouters in kruiwagens veranderen. Het speelveld van rooskooskoos geeft hen daarom ook alle ruimte voor hoorspel en toneelspel.

De hoorspelartiesten en toneelspelers handhaven bijvoorbeeld de competitieve elementen van TIKKEN en PIKKEN, maar laten alle hoofdrolspelers bovendien verhaaltjes bedenken.

In die verhaaltjes of scenario’s krijgt iedereen een rol, per beurt of per spel. De ene hoofdrolspeler noemt zichzelf kapitein van een reddingsboot, die drenkelingen uit de golven gaat redden, een volgende hoorspelspeler beschouwt zijn medespelers als bloemen, die hij wil plukken.

Toneelspelers, die dit spel van fantasie en avontuur nog boeiender willen maken, dossen zich uit met verkleedspullen en gebruiken toepasselijke spulletjes als in een echt toneelstuk.

Laatst maar niet laagst zitten er in ons speelveld niet voor niets zowel fietsspaken, zonnestralen als een podium en een onbewoond eiland verstopt. Het kan een reden zijn voor spelers om de punten de scores te laten en alleen nog maar te dansen of te zingen.

Wanneer een speelveld op grote schaal is uitgevoerd en spelvormen zonder een dobbelsteen worden beschreven, moeten er ook spelvormen zijn voor een speelveld op kleine schaal.

Inderdaad, alle spelvormen van rooskooskoos kunnen op een bordspel worden gespeeld. De spelers laten zich in dat geval vertegenwoordigen door pionnen en realiseren zich dat MIKKEN in een grote groep wel dringen wordt.



4.

Speciale spelvorm op kleine schaal met dobbelsteen

Total loss, het bordspel met maar liefst 10 dobbelstenen, die op verschillende manieren worden gebruikt. Naast de gebruikelijke werpdobbelstenen, die gegooid worden, hebben de spelers namelijk speeldobbelstenen, die pionnen en tellers ineen zijn. Twee spelers hebben elk vier persoonlijke speeldobbelstenen, vier spelers hebben elk twee speelstenen. Twee werpdobbelstenen worden gebruikt voor aanval en verdediging.

In Total loss is ons speelveld een crosscircuit waarop de spelers de auto’s van hun tegenspelers proberen uit te schakelen. Wie zijn, gehavende, auto’s in beweging houdt en niet zelf met panne langs de weg tot stilstand komt of erger, van het rennersveld wordt gebonjourd, is winnaar.

Je scoort door te tikken, door een botsing te veroorzaken met een andere speelsteen. Deze wordt door de botsing verder getikt, dóórgetikt. Wanneer daardoor een derde speelsteen wordt getikt spreken we van een kettingbotsing.

Alle spelers plaatsen hun speeldobbelstenen op het veld met 6 ogen naar boven. Vervolgens gooit de eerste speler de werpdobbelsteen en verplaatst zijn speelsteen het gegooide aantal ogen naar links of naar rechts.

Komt de speler daarbij terecht op het vak van een coureur met evenveel, of later in het spel, minder ogen op zijn speelsteen, dan draait die zijn speeldobbelsteen 1 punt naar beneden.

De verliezende speelsteen wordt dóórgetikt, gaat verder. Die kan dus eventueel nog meer schade veroorzaken door de slimme bewegingen van de eerste speler. Enzovoort en zo verder.

Een strijd waarbij de volgende wedstrijdregels in acht worden genomen:

  1. Een coureur mag alleen speeldobbelstenen met minder of met hetzelfde aantal ogen tikken.
  2. Als een speeldobbelsteen tikt met een andere speelsteen van dezelfde waarde, mag de getikte coureur zich verdedigen. Gooit hij gelijk of hoger, dan is de tikker de verliezer van 1 punt en wordt diens speelsteen dóórgetikt.
  3. Een eigen auto of speelsteen wordt nooit getikt, alleen dóórgetikt in een kettingbotsing. Een dergelijke verplaatsing kan tactisch van belang zijn, maar het kost wel een punt!
  4. Speeldobbelstenen met nog maar één oog zijn waardeloze wrakken, zij zijn total loss.